Werkdefinitie Centra

Missie

“De huidige snelle technologische en maatschappelijke ontwikkelingen vragen om een transitie van het beroepsonderwijs. Centra dragen bij aan deze transitie door krachten van bedrijfsleven, beroepsonderwijs en overheid te bundelen. Daarin werken ze samen aan onderwijsvernieuwing, toepassingsgericht onderzoek en Leven-Lang-Leren programma’s. Het resultaat is een goede aansluiting van studenten, docenten en ondernemers op de (toekomstige) arbeidsmarkt. Zo wordt gewerkt aan het innovatievermogen en de nieuwe economie van Nederland.”

 Definitie

Centra zijn actiegerichte samenwerkingsverbanden waarin bedrijven en onderwijsinstellingen, overheden en andere publieke organisaties samen innoveren en experimenteren gericht op toekomstbestendig beroepsonderwijs.

De overkoepelende doelstellingen van Centra zijn:

  1. Het opleiden van de ‘next professional’ door verhoging onderwijskwaliteit en instroom;
  2. Het bevorderen van een ‘leven Lang leren’;
  3. Het versnellen en vergroten van het innovatievermogen van bedrijven;
  4. Het vergroten van de mobiliteit en flexibiliteit van zittend personeel bij bedrijven.

Kenmerken

  1. Het gaat om publiek-private samenwerking, tussen meerdere bedrijven en/of hogescholen of mbo-instellingen waarin vanuit een gezamenlijke visie vraaggericht wordt gewerkt vanuit het bedrijfsleven. Bedrijfsleven, beroepsonderwijs en overheid nemen ieder verantwoordelijkheid en dragen daarbij ‘eigenaarschap’ van de samenwerking. Er is sprake van langjarige co-creatie en cofinanciering.
  2. Centra richten zich op een economisch en/of maatschappelijk zwaartepunt (landelijk of regionaal). Daarbij wordt ook de verbinding vmbo-mbo-hbo-wo gezocht.
  3. Binnen Centra wordt geëxperimenteerd en geïnnoveerd, er gaan dus dingen goed en soms ook fout. Men leert daarbij van elkaar.
  4. Centra zetten zich in voor kruisbestuiving tussen onderwijs & onderzoek, valorisatie & ondernemen. Centra zijn gericht op kennisontwikkeling en het delen van expertise uit het bedrijfsleven met het onderwijs, en andersom. Zij vervullen een netwerkfunctie.

Criteria (meetbaar)

  1. De visie van het Centrum sluit aan bij ‘het DNA van de regio’. Het richt zich op een economisch en/of maatschappelijk zwaartepunt. De activiteiten binnen het centrum zijn aanvullend op bestaande activiteiten en stakeholders. Indicatoren zijn hierbij bijvoorbeeld:
    • Aansluiting op de provinciale of landelijke economische zwaartepunten;
    • Strategische allianties met bestaande stakeholders.
  2. Bedrijven en onderwijsinstellingen  zijn beide concreet betrokken bij het Centrum op zowel strategisch als uitvoerend niveau. Indicators hierbij zijn bijvoorbeeld:
    • De omvang van de cofinanciering (in cash en in kind) in realistische verhouding tussen onderwijsinstelling(en), bedrijven en/of publieke organisaties (zoals ziekenhuizen);
    • De positie van bedrijfsleiding en CvB in de aansturing en uitvoering.
  3. De totaalbegroting is realistisch en in balans tussen publieke en private partijen. Indicatoren hierbij zijn:
    • Een cofinancieringsverhouding van ongeveer 1/3 bedrijfsleven, 1/3 (regionale) overheden en 1/3 vanuit de onderwijsinstelling(en);
    • Er wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen ‘bureaukosten’ en concrete activiteiten om de doelstellingen te bereiken;
    • Er worden geen ‘vergaderuren’ geteld als cofinanciering; cofinanciering betekent een daadwerkelijke meerwaarde voor de activiteiten in het centrum (m.a.w.: eventuele cofinanciering in kind zou ook in cash uitbetaald moeten kunnen worden vanwege de realistische waarde).
  4. De beoogde activiteiten van het Centrum leveren een concrete bijdrage aan de eerder genoemde hoofddoelstellingen, waarbij altijd een concrete kosten/baten analyse beschikbaar is. Indicatoren hierbij zijn bijvoorbeeld:
    • Leven lang leren programma voor zittende medewerkers, doelstelling 200 deelnemers, begroting: X;
    • Verhoging onderwijskwaliteit door middel van bijscholing 10 docenten, minimaal masterniveau, begroting X.
  5. De activiteiten hebben een aantoonbare impact op student, docent en werknemer. De indicatoren hiervan verschillen per Centrum afhankelijk van de activiteit. Voorbeelden zijn:
    • Studenttevredenheidcijfers en aantal betrokken studenten;
    • Het aantal bedrijven dat actief participeert;
    • Docenten die stages bij bedrijfsleven lopen;
    • Aantal werknemers dat participeert in activiteiten.
  6. Er wordt actief geleerd, geïnnoveerd en geëxperimenteerd. Centra kunnen bewijzen dat ze out of the box nieuwe activiteiten ontwikkelen  en doen dit niet geïsoleerd maar samen met andere partijen die hier ook mee bezig zijn.